Het laden ...

Immunomodulatoren, immunostimulantia en immunosuppressiva: een praktische gids

Immunomodulatoren, immunostimulantia en immunosuppressiva

 

Een praktische gids voor het immuunsysteem (medisch onderbouwd)

 

Producten die “iets met het immuunsysteem doen” worden vaak op één hoop gegooid. Toch beschrijven we in de geneeskunde drie verschillende functies:

 

  • Immunostimulatie: de immuunactiviteit verhogen

  • Immunosuppressie: de immuunrespons verlagen

  • Immunomodulatie: de immuunrespons bijsturen zodat die past bij de situatie

 

De uitdaging: biologische effecten kunnen verschuiven afhankelijk van dosis, timing en context. Daarom is het belangrijk om deze termen correct te gebruiken—zeker op een medische website.

 


 

Inhoudsopgave

 

  1. Wat zijn immunomodulatoren? (en waarom de term vaak verkeerd wordt begrepen)

  2. Hoe immunomodulatoren werken in het immuunsysteem

  3. Immunostimulantia: wanneer ondersteuning zinvol kan zijn

  4. Immunosuppressiva: wanneer remming noodzakelijk is

  5. Natuurlijke immunomodulatoren: vaak een dubbele, contextafhankelijke werking

  6. Belangrijkste conclusies

  7. Veelgestelde vragen

  8. Referenties

 


 

1) Wat zijn immunomodulatoren?

 

Waarom de term vaak verkeerd wordt begrepen

 

Een immunomodulator is elke stof die de immuunactiviteit reguleert. Simpel gezegd: het zijn middelen die de immuunrespons afstemmen op een specifieke biologische context.

 

De verwarring ontstaat omdat auteurs en disciplines de termen soms inconsistent indelen:

 

  • Sommigen beschouwen immunostimulantia en immunosuppressiva als subklassen van immunomodulatoren.

  • Andere bronnen voegen een derde categorie toe, zoals immunoadjuvantia of biological response modifiers.

  • In het dagelijks taalgebruik wordt “immunomodulator” vaak gebruikt als synoniem voor “immuunbooster”, wat maar één deel van het verhaal is.

 

Klinisch voorbeeld (waarom grenzen vervagen)

 

In de oncologie kan een behandeling “de rem eraf halen” op een immuunrespons. Dat lijkt stimulerend, maar dezelfde therapie kan ook ongewenste ontstekingsreacties veroorzaken die vervolgens immunosuppressie vereisen. Terminologie alleen verklaart dus niet alles.

 


 

2) Het immuunsysteem is geen aan/uit-schakelaar

 

Meerdere “versnellingen”, geen enkel pedaal

 

Het immuunsysteem kent verschillende lagen en functies. Een stof kan bijvoorbeeld:

 

  • de aanval op geïnfecteerde/abnormale cellen versterken

  • én tegelijk overmatige ontsteking elders temperen (1)

 

Afhankelijk van wat je meet (NK-activiteit, cytokines, inflammatoire markers…), kan hetzelfde middel dus als stimulerend of kalmerend worden omschreven.

 


 

3) Immunostimulatie, immunosuppressie en immunomodulatie

 

Belangrijkste verschillen in één oogopslag

 

TermFunctioneel doelVeelvoorkomende misvatting
ImmunostimulatieSpecifieke componenten activeren om weerstand tegen infectie of maligniteit te versterken“Meer stimulatie is altijd veilig”
ImmunosuppressieImmuunrespons remmen om weefselschade te voorkomen (auto-immuniteit, transplantatie)“Onderdrukking = zwakte”
ImmunomodulatieRespons normaliseren/reguleren om homeostase te behouden of te herstellen“Werkt als een simpele schakelaar”

 


 

4) Hoe immunomodulatoren werken in het immuunsysteem

 

Een orkest, geen leger

 

Een bruikbare metafoor: immuniteit is een orkest. Immunomodulatoren voegen niet simpelweg “meer soldaten” toe. Ze kunnen:

 

  • het tempo veranderen

  • delen opnieuw in balans brengen

  • “overstemmende” signalen dempen

 

Biologisch vertaalt dit zich vaak in veranderingen in cytokines (chemische boodschappers) en in gedrag van immuuncellen.

 

Mechanistisch kunnen immunomodulatoren meerdere niveaus beïnvloeden:

 

  • Aangeboren immuniteit (snelle patroonherkenning)

  • Adaptieve immuniteit (T-cellen, B-cellen en immunologisch geheugen)

 


 

5) Immunostimulantia

 

Wanneer het immuunsysteem ondersteuning nodig heeft

 

Immunostimulantia zijn immunomodulatoren die de immuunactiviteit in een bepaalde richting versterken. Ze worden in specifieke klinische contexten gebruikt om de afweer tegen infecties te ondersteunen of antitumor-immuniteit te verbeteren.

 

Mechanismen kunnen omvatten:

 

  • stimulatie van fagocytose

  • verhoging van NK-celactiviteit

  • versterking van immuunsignalering

 

Typen immunostimulantia (op basis van oorsprong/werking):

 

  • Recombinante cytokinen (2)

  • Complexe koolhydraten/polysacchariden (3)

  • Bacteriële producten (4)

  • Vaccinadjuvantia (5)

  • Plantaardige immunostimulantia (6)

  • Dierlijke immunostimulantia (3)

  • Voedingsfactoren zoals vitaminen/mineralen (7)

 


 

6) Immunosuppressiva

 

Wanneer remming van de immuunrespons noodzakelijk is

 

Immunosuppressiva zijn immunomodulatoren die de immuunrespons verlagen. Ze zijn essentieel bij:

 

  • auto-immuunziekten

  • orgaantransplantatie (afstoting voorkomen)

  • sommige ernstige ontstekingsbeelden

 

Belangrijke klassen (8–11):

 

  • Corticosteroïden (bv. prednison)

  • Calcineurineremmers (ciclosporine, tacrolimus)

  • Antimetabolieten (azathioprine, mycofenolaatmofetil)

  • mTOR-remmers (sirolimus)

  • Biologische geneesmiddelen (monoklonale antilichamen)

 


 

7) Natuurlijke immunomodulatoren: vaak dubbele werking

 

Natuurlijke producten kunnen afhankelijk van context zowel immunostimulerend als immunosuppressief werken, omdat ze meerdere immuunroutes tegelijk beïnvloeden—waaronder routes rond ontstekingssignalen. Daardoor kan er een balancerend effect ontstaan: ondersteunen waar nodig, temperen waar overdreven (12).

 

Voorbeeld: Panax ginseng

 

Ginsenosiden kunnen stimulerend of remmend werken afhankelijk van het eindpunt en de context (13).

 


 

8) ImunoBran (MGN-3) als voorbeeld van een gestandaardiseerde natuurlijke immunomodulator

 

BioBran (MGN-3) is een gestandaardiseerd, plantaardig afgeleid product: een gemodificeerd arabinoxylan uit rijstzemelen, geproduceerd via enzymatische behandeling (met o.a. Lentinus edodes).

 

Onder experimentele en klinische omstandigheden suggereren studies dat BioBran:

 

  • NK-celactiviteit kan verhogen

  • de activiteit van andere immuuncellen zoals macrofagen en lymfocyten kan ondersteunen (14,15)

  • mogelijk overmatige ontstekingsreacties kan helpen temperen via effecten op pro-inflammatoire cellen (16)

 

Kleine studies bij oudere volwassenen rapporteerden een lagere incidentie van griepachtige ziekten zonder relevante bijwerkingen, maar grotere studies zijn nodig voor bredere bevestiging (17).

 

Belangrijk: dit gaat om ondersteuning van immuunfunctie en balans; het vervangt geen medische behandeling.

 


 

9) Belangrijkste conclusies (samenvatting)

 

  • Immunostimulatie en immunosuppressie beschrijven de richting van het effect.

  • Immunomodulatie is het overkoepelende concept: reguleren en balanceren.

  • In echte biologische systemen kunnen effecten verschuiven door dosis, timing en context.

  • Begrip van dit onderscheid helpt misvattingen rond “immuunboosters” te vermijden en ondersteunt een evidence-based benadering.

 


 

10) Veelgestelde vragen (FAQ)

 

Wat is een immunomodulator?

Een stof die immuunactiviteit gecontroleerd beïnvloedt: versterken, verminderen of verfijnen afhankelijk van de situatie.

Zijn immunomodulatoren hetzelfde als immunostimulantia?

Nee. Immunostimulantia zijn een subgroep die specifiek immuunactiviteit verhoogt.

Zijn immunomodulatoren hetzelfde als immunosuppressiva?

Nee. Immunosuppressiva zijn een subgroep die doelbewust immuunactiviteit verlaagt.

Zijn immunomodulatoren altijd ontstekingsremmend?

Niet per se. Het kernidee is balans: inflammatie temperen waar overdreven, maar beschermende functies behouden.

Voorbeelden van immunomodulatoren?

Corticosteroïden, calcineurineremmers, monoklonale antilichamen, vaccinadjuvantia en bepaalde natuurlijke stoffen zoals polysacchariden.

 

Over de auteur Maria Piknova, PhD, is biochemicus en wetenschapsblogger, gespecialiseerd in microbiologie en moleculaire biologie. Ze zet zich met hart en ziel in om complexe wetenschap te vertalen naar heldere, op bewijs gebaseerde inzichten.[ORCID / LinkedIn]

References

  1. https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC10033545/ 

  2. https://doi.org/10.1016/j.crtox.2025.100222 

  3. https://jommid.pasteur.ac.ir/article-1-131-fa.html

  4. https://doi.org/10.1186/s13578-024-01207-7

  5. https://doi.org/10.1038/s41392-023-01557-7

  6. https://doi.org/10.1155/2023/7711297

  7. https://doi.org/10.1007/978-981-33-6009-9_66

  8. https://doi.org/10.1097/tp.0000000000004646

  9. https://doi.org/10.3389/fphar.2022.917162

  10. https://doi.org/10.1016/s0272-6386(96)90297-8

  11. https://doi.org/10.2147/ijnrd.s335371 

  12. https://doi.org/10.1016/j.phymed.2024.156028 

  13. https://doi.org/10.1016/j.jgr.2021.12.007

  14. https://doi.org/10.3390/molecules28176313

  15. https://doi.org/10.3892/etm.2018.5713 

  16. https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC9445227/ 

  17. https://doi.org/10.3390/nu13114133 

  18. Photo: Shutterstock